archief / downloads

Verslag: Slimme stedelijke mix / Smart urban mix (3)

Over maakindustrie, stedelijk wonen en politieke wil…

Eindhoven is van oudsher een werk- en productiestad. Industriële bedrijvigheid er verweven met wonen, maar ook hier is in de laatste decennia veel industriële productie verhuisd naar de randen stad. Het besef groeit dat maakindustrie een belangrijke rol speelt in het vitaal en levendig houden van de stad. Dat staat echter op gespannen voet met de huidige wetgeving en de enorme woningbouwopgave. Het vergt dus vooral ook politieke wil om de maakindustrie in het bestaande stedelijk weefstel te behouden of juist te faciliteren. Eric Frijters sprak erover met Adrian Vickery Hill en Adriaan Geuze tijdens de derde bijeenkomst van het programma Slimme stedelijke mix/Smart urban mix.

 

Het belang van maakindustrie voor de stad

De eerste gast, Adrian Vickery Hill, is betrokken bij het internationale onderzoeksprogramma Cities of Making dat uitmondde in de publicatie Foundaries of the Future. A Guide for 21st Centrury Cities of Making (2020). Hij plaatste de ontwikkeling van de stedelijke productie in een historisch perspectief. Het ambacht en het ‘maken’ zijn van oudsher verbonden met de stad. Er was daarbij in de middeleeuwen en vroegmoderne tijd nauwelijks afstand tussen productie en wonen. Ze vielen vaak samen in de ‘woon-werkgebouwen’ die de pre-industriële stad kenmerkten.

Als in de tweede helft van de negentiende eeuw de steden industrialiseren, houdt de industrie nog steeds een plaats tussen of dicht bij de woonwijken. Ook in Eindhoven is dat duidelijk zichtbaar: zowel in de ontwikkeling van de bedrijvigheid aan de kop van het Eindhovens Kanaal vanaf 1846, als in de expansie van Philips langs het spoor vanaf ongeveer 1910.

Strijp-S: bedrijvigheid van Philips te midden van wonen

In de moderne, functionele stedenbouw van na de Tweede Wereldoorlog komt echter het accent te liggen op functiescheiding, en ook strengere wet- en regelgeving duwen de productie uit het centrum van stad naar zones aan de stadsranden. Bovendien kwam onder meer door stijgende loonkosten het accent op de ontwikkeling van de dienstensector te liggen. Er ontstond een ontwikkeling die Hill typeerde met ‘economics of production’: industriële productie leidt tot mechanisatie, waardoor er meer kan worden geproduceerd, tegen lagere kosten en met minder personeel. Industrieën moesten daarin wel meebewegen om mee te blijven doen in de wereldeconomie.

Sinds het grootschalige vertrek van de industrie uit de stedelijke centra zijn de overgebleven relicten van grote waarde gebleken, stelde Hill, maar dan als plekken voor de ‘productie van cultuur’. Hij toonde daarbij een beeld van Tate Modern, ondergebracht in een voormalige energiecentrale. Tegelijk heeft het vertrek van de industrie tot gentrificatie geleid. Voormalige industriële zones zijn in tal van steden zijn uitgegroeid tot hoog-stedelijke en ook dure woonmilieus. In Brussel is tussen 2000-2018 ongeveer 16 procent van de industrieterreinen veranderd in woonmilieus. Terwijl bewoners steeds succesvoller zijn in het mobiliseren van verzet tegen industriële activiteiten in hun buurt.

Deze ontwikkelingen staan volgens Hill op gespannen voet met het belang en de waarde van maakindustrie voor de stad. Hij noemde vier punten die aandacht voor stedelijke productie rechtvaardigen: 1. stedelijke industrie draagt bij aan een vitale, lokale economie; 2. het stimuleert innovatie; 3. het speelt een rol bij de aanpak van klimaatverandering en milieuopgaven, en; 4. het is van belang met het oog op economische en sociale inclusie.

Strijp-S: ontwikkeling van de Spoorzone met op de voorgrond woontoren Next van Binst Architects.

Er doen zich echter een aantal prangende dilemma’s voor. Veel steden worstelen met de spanning tussen de grote vraag naar woningen, de verbetering van openbare voorzieningen en de wens om bedrijventerreinen te behouden. Door het niet beschikbaar hebben van voornamelijk betaalbare doorgroeimogelijkheden voor nieuwe maakbedrijven bestaat het gevaar dat deze vertrekken. Technologie ontwikkelt zich bovendien ook sneller dan een mogelijke regulering door de overheid. Innovatief beleid op de schaal van de stad is daarom vereist om nieuwe vormen van productie te faciliteren, bijvoorbeeld in oude kantoorgebouwen, in onderbenutte parkeergarages, kelders of zelfs in woningen.

Bovendien, stelt Hill, staat bij veel overheden het belang en de toegevoegde waarde van maakindustrie (nog) niet op het netvlies. Maar dat is wel hard nodig. Zeker nu Europa het Leipzig Charter (2020) heeft aangenomen. Dit handvest benadrukt het belang van geïntegreerde en duurzame stadsontwikkelingsstrategieën.

De afgelopen decennia is de maakindustrie veranderd, maar ons idee erover nog niet, stelde Hill. Hij vindt dat de publieke sector, en dus de politiek, het belang van maakindustrie voor de stad moet erkennen en daar ook op moet gaan inzetten. Maar hoe? En, op welke vorm van maakindustrie zou ze moet inzetten? Deze vragen stonden centraal in het Cities of making project. Om deze vragen te kunnen beantwoorden onderzochten Hill en zijn collega’s onder meer de productie-ecosystemen van de steden Brussel, Rotterdam en Londen.

Geen enkele vorm van productie of productieomgeving is identiek en daarmee kan deze ook onmogelijk in een andere context worden gekopieerd. Toch zijn er vergelijkbare kenmerken. De op basis van veldwerk en observaties gevonden overeenkomsten zijn door Hill c.s. vertaald in vijftig patronen. De belangrijkste inspiratie voor deze aanpak vormde de invloedrijke studie A Pattern Language, die architect en onderzoeker Christopher Alexander en zijn team al in 1977 publiceerden. Begrip van de patronen, kan de complexiteit van stedelijke productie inzichtelijk, toegankelijk en ook beheersbaar maken. Op die manier wordt het voor steden mogelijk om beleidsdoelen voor de stedelijke maakindustrie te formuleren.

 

Strijp-S als inspirerend voorbeeld

De tweede gast van de bijeenkomst, Adriaan Geuze, liet zien wat het langdurig in zetten op een stedelijke mix van zowel werken als wonen kan opleveren voor een stad als Eindhoven. Geuze maakte daarbij een vergelijking met het adagium van de krakersbeweging uit de jaren tachtig. Zij stelden ‘de stad is van ons’ en hechtten daarom veel belang aan de stad als plek om je te kunnen ontplooien. Niet architectuur maar ‘ruimte’ is belangrijk voor de stad.

Bij de herontwikkeling van Strijp-S, waar Geuze al zo’n 20 jaar bij betrokken is, is vanaf het begin ingezet op het faciliteren van ‘ontplooiing’. Strijp-S is een plek voor zowel wonen, werken, leren, recreatie als bedrijvigheid. Er is daarbij consequent vastgehouden aan een ’tienpuntenplan’ waarin een aantal uitgangspunten voor het gebied zijn geformuleerd, zoals bijvoorbeeld lage huren voor startende ondernemers, het faciliteren van doorgroeimogelijkheden van succesvolle startups, functiemenging en een regisseur die verantwoordelijk is voor de invulling van de plinten. Met name de activering van deze gebouwplinten speelt een belangrijke rol bij het vitaal en levendig houden van de publieke ruimte.

Woontoren Niko, ontworpen door de Zwarte Hond

Bij de herontwikkeling van Strijp-S is bovendien niet vastgehouden aan een star en rigide plan, maar is flexibel ingespeeld op veranderende maatschappelijke en economische omstandigheden. Zo heeft de Spoorzone, die aanvankelijk bestemd was voor de ontwikkeling van kantoren, na de bankencrisis van 2008-2011 een woonbestemming gekregen. Deze fase is momenteel (januari 2022) nagenoeg afgerond. Er wordt in dit plandeel alleen nog hard gebouwd aan de woontoren Next, ontworpen door Binst architecten, en woon-werkgebouw Donna, ontworpen door De Bever Architecten. Bij het Klokgebouw wordt momenteel gestart met de bouw van Niko, ontworpen door De Zwarte Hond.

De verschuiving aan van ‘werken’ naar ‘wonen’, zoals dat in de Spoorzone gestalte heeft gekregen, wordt op het niveau van Strijp-S als geheel gecompenseerd door 35.000-40.000 m2 ‘werken’ te realiseren in plandeel ‘Fase 4’ (zie plankaart). Dat betekent een gedeeltelijke reductie van het oorspronkelijk in de ‘Kastanjevelden’ geprogrammeerde stedelijke wonen, maar tegelijkertijd het behoud van het Videolab, Microlab en het Boschgebouw. Hier zijn de afgelopen jaren een aantal bedrijven succesvol getart en zijn er bovendien hechte werkgemeenschappen ontstaan. Deze vertegenwoordigen een grote economische waarde voor de stad. Bij ‘werken’ wordt in het bestemmingplan voor Strijp-S overigens minder onderscheid gemaakt tussen kantoren, dienstverlening, ateliers en overige bedrijfsactiviteiten.

Plankaart Strijp-S: 1. Kastanjevelden; 2. Driehoek; 3. Spoorzone; 4. ‘Fase 4’

Bij de plannen voor fase vier zijn de corporaties Trudo en Woonbedrijf betrokken evenals Spoorzone bv (VolkerWessels en ING) en Interesting Vastgoed. Geuze liet daarbij alleen de contouren van een toekomstige bebouwing zien. Op de invulling en architectuur daarvan wordt nog volop gestudeerd. Trudo en Woonbedrijf gaan als eerste aan de slag op de parkeerterreinen bij het Boschgebouw en de Kastanjelaan, de commerciële ontwikkelaars daarentegen studeren op de locaties aan de Glaslaan. Geuze sprak over een ‘iconische’ toren bij de entree van Strijp-S en in de plannen is er ook plaats voor een spectaculaire smalle, hoge toren waar momenteel constructeur Tielemans en architectenbureau Benthem Crouwel op studeren. De plinten van de gebouwen en soms ook de eerste verdieping blijven bestemd voor ‘bedrijvigheid’. Naast deze bedrijvigheid zullen er de komende jaren zo’n 1400 uiteenlopende stedelijke woningen worden gerealiseerd.

De succesvolle ontwikkeling van Strijp-S illustreert het belang van het langdurig vasthouden aan een aantal heldere beleidsuitgangspunten. De combinatie van wonen, werken, leren, recreatie en bedrijvigheid heeft geresulteerd in een dynamisch en vitaal stedelijk gebied. Daarbij, zo stelt Geuze, heeft Eindhoven, samen met Helmond, vooropgelopen in het faciliteiten van werkgelegenheid in de stad.

Hij voegde daar ook een andere observatie aan toe. Hij ziet dat veel bedrijvigheid zich bij snelweglocaties aan de randen van de stad vestigt, maar dat de moderne werknemer steeds meer belang hecht aan nabijheid, fietsmobiliteit, en daarmee ook een groene en aangename publieke ruimte. Hierdoor neemt ook de betekenis van die publiek ruimte in het stedelijk functioneren toe. Geuze onderstreept daarom ook het belang met het ontwikkelen van de nieuwe gebieden tegelijk ook in te zetten op nieuwe en kwalitatieve verbindingen tussen de van oudsher versnipperde en geïsoleerde woon- en werkgebieden in Eindhoven.

 Donna, ontworpen door De Bever Architecten

 

De bijeenkomst met Adriaan Geuze en Adrian Vickery Hill vond plaats op 18 januari 2022.

Adriaan Geuze is landschapsarchitect en oprichter van West 8 urban design & landscape architecture BV. Hij is in Eindhoven actief als supervisor van Strijp-S en Strijp-T én het Emmasingelkwadrant.

Adrian Vickery Hill werkt als onderzoeker, ontwerper en planner, en woont in Brussel. In het verleden was hij op verschillende gebieden actief, waaronder stedelijke duurzaamheid, mobiliteit, landbouw, beheer van ecosystemen, netwerken voor hernieuwbare energie en materiaalcycli.

Gespreksleiding: Eric Frijters. Verslag: René Erven, 24 januari 2022. Foto inzet: Skyline Strijp-S / Mitchell van Eijk

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws in je inbox