archief / downloads

Verslag: Slimme stedelijke mix (5)

De stad-mens

Aristoteles (384-322 v. Chr) typeerde de mens als een zoön politikon. In de ogen van de Griekse filosoof is de mens van nature een ‘sociaal wezen’ die in een polis- of stadsgemeenschap zijn ‘levensvervulling’ vindt. Net als Aristoteles typeert ook filosoof en publicist Pieter Hoexum de mens als een polis- of stadsdier. Maar hoe functioneert de mens in de moderne, gemixte en tegelijk anonieme stad? Hoexum was samen met architect Winy Maas te gast tijdens de vijfde bijeenkomst in de serie Slimme stedelijke mix. Beiden onderzochten elk op hun eigen manier de vraag wat het betekent als wonen, werken én produceren samen komen in een beperkte stedelijke ruimte…

 

Gebouwde stedelijkheid

Het mixen van stedelijke functies loopt als een rode draad door de carrière van architect, stedenbouwkundige én landschapsontwerp Winy Maas. Een van de meest spraakmakende ontwerpen die deze belangstelling voor en mixen en stapelen van functies illustreert is het Nederlands Paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Hannover (2000). Zes gestapelde Nederlandse landschappen die een zelfstandig ecosysteem vormen op een beperkt oppervlak. In het project stonden een aantal basale vragen centraal. Kan de kwaliteit van leven worden gehandhaafd als de bevolkingsdichtheid toeneemt? Wat is er nodig om die leefkwaliteit te borgen? Welke rol gaat de natuur, in de ruimste betekenis, spelen bij een dergelijke toename van de dichtheid?

Deze vragen vormen nog steeds een rode draad in de diverse studies en projecten waar Maas sindsdien aan werkt. Projecten van zowel zijn ontwerpbureau MVRDV als de studies die hij met zijn studenten van de TU Delft oppakt. Hier geeft Maas leiding aan The Why Factory (T?F), een denktank en onderzoeksinstituut dat de uiteenlopende uitdagingen waar steden wereldwijd voor staan onderzoekt en verkent. Het accent ligt daarbij vooral op het ontwikkelen van scenario’s, modellen en prikkelende visualisaties.

Maas toonde een aantal studies waarbij wordt onderzocht hoe stedelijke dichtheid en leefbaarheid – belangrijke ingrediënten van een slimme stedelijke mix – met elkaar samenhangen. Een aandachtgebied is het meer menselijk maken van stedelijke dichtheid. Hierin speelt het thema porositeit (Porosity) een sleutelrol. Veel steden bestaan ​​uit gesloten, introverte blokarchitectuur waardoor het stadsleven zich vaak in een geïsoleerde zones afspeelt. Maas onderzocht hoe deze geslotenheid kan worden opgeheven waardoor het letterlijk ruimte ontstaat voor sociale ontmoetingen, andere vormen van verkeerscirculatie én de (her)introductie van flora en fauna in de gebouwde omgeving? Met name dit laatste aspect is niet allen vanuit de sociale leefbaarheid van de stad van belang maar ook met het oog op de klimaatcrisis die zich momenteel wereldwijd voordoet.

In die context presenteerde Maas ook het project The Green Dip, waarbij de ontwerpstrategieën worden onderzocht waarmee planten en gebouwen kunnen worden verweven. Maar dan niet als greenwashing maar als daadwerkelijke verbetering van de leefbaarheid van steden. Van belang worden dan vragen als: Hoe presteert groen? Hoe kan groen worden geïmplementeerd in onze steden? Welke technische hulpmiddelen kunnen daarbij worden ontwikkeld. Een van de resultaten van deze studie is The Green Maker, ontwerpsoftware die de kennis van gebouwen combineert met de kennis van planten. Dit ontwerphulpmiddel bevat onder meer een database met gegevens van 4500 planten, zoals hun waterbehoefte, gewicht, maximale hoogte, zuurstofproductie en co2-opname.

 

The Green Dip voor de binnenstad van Eindhoven. Beeld MVDRV

 

De snelle stedelijke transformatie van Oost-Azië, vaak resulterend in stedelijke blokken met anonieme hoogbouw, vormde de aanleiding voor Maas en zijn team om de kwaliteiten van verticale ‘stedelijke dorpen’ te onderzoeken. Zou het niet mogelijk zijn om veel dichtere, gestapelde nederzettingen te ontwikkelen als een alternatief voor deze blokarchitectuur die nauwelijks ruimte biedt aan sociaal contact? Het onderzoek resulteerde onder meer in de open source softwareprogramma’s: de HouseMaker en de VillageMaker. HouseMaker is een applicatie waarmee bewoners zelf hun droomhuis kunnen ontwerpen én bouwen. VillageMaker is interactieve planningssoftware waarmee een verticaal dorp kan worden gebouwd en waarbij het programma de kwaliteiten van elke individuele wooneenheid in het groeiende en veranderende plan borgt.

Een aantal basisuitgangspunten van het stedelijke dorp zijn ook herkenbaar in het onlangs opgeleverde project Valley, aan de Amsterdamse Zuidas. Het project is de vertaling van de wens van de gemeente Amsterdam om Zuidas te ontwikkelen tot een gemengde stadswijk voor wonen, werken en cultuur. Op de onderste zeven verdiepingen van het door MVRDV ontworpen complex bevinden zich kantoren, ruimtes voor cultuur, winkels, horeca en de toegang tot hierboven gelegen woontorens. Het project ontleent zijn naam aan de publiek toegankelijke terrasvormige vallei die tussen de drie multifunctionele torens ligt. De ‘binnengevel’ bestaat uit een reeks ruige, stenen terrassen met grote plantenbakken die een menselijke schaal aan het volume geven.

De trap is een opmerkelijk en tegelijkertijd typerend element in Valley. Het keert in het werk van Maas regelmatig terug en heeft een meervoudige betekenis. In de eerste plaats is het een element waarmee het mogelijk wordt om hoogteverschillen te overbruggen, waardoor de derde dimensie een belangrijke betekenis krijgt bij de vormgeving van leefomgevingen. Trappen maken platte daken bereikbaar waardoor deze kunnen gaan meedoen in het stedelijke landschap. Tegelijk geeft de trap menselijke maat aan de architectuur en werkt als een sociale katalysator die ontmoeting faciliteert. Het geeft daarmee tegelijk ook een nieuw tempo aan de gemixte en gestapelde stad.

Valley: openbaar toegankelijke trappen slingeren door complex. Beeld: MVRDV

 

Sociale stedelijkheid

Dit ‘tempo’ vormde het vertrekpunt van de beschouwing van Pieter Hoexum. Hij benaderde de problematiek van de stedelijke mix niet zozeer vanuit de ‘fysieke vorm’, maar meer vanuit het ‘mens-zijn’. Het tempo van de mens, en daarmee ook van de stad, is een subjectief gegeven. Weliswaar zijn er objectieve maatstaven te formuleren om het tempo, en ook de dichtheid, te meten, maar in wezen zeggen ze niets als ze geen menselijk context krijgen. Zo is het levenstempo van de hoofdrolspeler in het boek Kalme chaos van de Italiaanse auteur Sandro Veronesi bijna tot een nulpunt gekomen. Na de plotseling dood van zijn vrouw neemt de bezorgdheid om hun dochter bizarre vormen aan. Hij zit stil in zijn auto, terwijl ondertussen de wereld door raast, te wachten tot zijn dochter weer uit school komt.

Dichtheid of nabijheid is een ander aspect dat Hoexum tijdens zijn bijdrage verkende. Hij haalde daarbij een citaat van Immanuel Kant (1724-1804) aan: ‘De aanleg voor het vormen van een gemeenschap ligt duidelijk in de menselijke natuur’, stelde de Duitse filosoof , maar hij voegde daar meteen aan toe dat de mens ook een ‘sterke neiging heeft zich te isoleren’. Deze observatie werd door de Duitse filosoof Artur Schopenhauer (1788-1860) verder uitgewerkt in wat bekend staat als het dilemma van de egel, ook wel het het dilemma van het stekelvarken genoemd.

In een van zijn essays in de bundel Parerga und Paralipomena (1851) schrijft hij hoe hij zag dat een aantal stekelvarkens tijdens een koude dag bij elkaar kroop om elkaar te kunnen warmen. Toen ze elkaar met hun stekels begonnen te prikken, waren ze echter genoodzaakt om weer afstand te nemen. De kou dreef ze echter weer bij elkaar waardoor precies hetzelfde gebeurde: ‘Eindelijk, na vele keren ineengedoken en uiteengejaagd te zijn, ontdekten ze dat ze het beste af zouden zijn door op een kleine afstand van elkaar te blijven. Op dezelfde manier drijft de behoefte van de samenleving de menselijke stekelvarkens samen, alleen om wederzijds afgestoten te worden door de vele stekelige en onaangename eigenschappen van hun aard. De gematigde afstand die ze uiteindelijk ontdekken als de enige aanvaardbare voorwaarde voor omgang, is de code van beleefdheid en goede manieren, en degenen die deze overtreden, wordt ruwweg gezegd om afstand te houden.’

 

Podium en trap naar het dak van Het Nieuwe Instituut tijdens de Rotterdamse Architectuurmaand, juni 2022. Beeld: MVRDV.

 

Het dilemma van de egel wordt vaak van toepassing geacht op het wezen van het menselijke contact met de ander. Maatschappelijke regels zouden ons ervan weerhouden om echt contact te maken met onze medemensen, maar het dilemma kan ook worden toegepast op de ‘fysieke ruimte’ die nodig is om samen te leven. Hoexum besprak in dat kader nog twee uitersten: het rijtjeshuis en het Narkomfin-gebouw dat ontstond in het Rusland na communistische revolutie van 1917. In dit woongebouw was plaats voor een groot aantal bewoners die hier volgens de communistische ideologie, gezamenlijk woonden.

Het gebouw bevorderde het gemeenschapsgevoel en het doorbrak de burgerlijke, op het gezin gebaseerde, levensstijl. De wooneenheden hadden nauwelijks privacy en de meeste faciliteiten, zoals eetruimtes, keukens en badkamers, werden gedeeld. Met de egelmetafoor is het duidelijk dat dit communistische experiment gedoemd was te mislukken. Het rijtjeshuis beantwoordt, als ‘sociaaldemocratische middenweg’, volgens Hoexum wel het best aan de menselijke behoefte aan zowel nabijheid als afzondering en anonimiteit.

Steden zijn bovendien beter in staat te voorzien in die anonimiteit dan dorpen, waar volgens Hoexum toch het haast dwingende gemeenschapsgevoel een veel sterkere rol speelt. Het maatschappelijke leven, zoals dat in een stad vorm krijgt, combineert gemeenschapszin met een zekere vorm van anonimiteit. tegelijk bestaat een stad idealiter uit mensen meteen verschillende achtergrond. Want ‘uit mensen van dezelfde soort kan geen polis – stad – ontstaan’, stelde Artistoteles (384-322 v. Chr) in zijn Politeia. Het oude Athene bood in tijden van oorlog onderdak aan iedereen die op zoek was naar een veilige plek. De polis ontwikkelde zich daardoor voortdurend met de komst van nieuwe ambachten en denkwijzen. Aristoteles formuleerde vanuit die observatie een haast universele waarheid: diverse en complexe economieën zijn succesvoller dan monoculturen. Dit is ook een belangrijk argument voor een stedelijke mix.

De aanpak en visie van Maas met zijn nadruk op de kracht van de vorm lijkt in tegenspraak met de bedachte analyse van Hoexum die de nadruk legt op de menselijke, zachte aspecten van een ‘aangename stedelijkheid’. Een tegenstelling die overeenkomt met de eeuwige contradictie tussen de ville en de cité, zoals Richard Sennett beschreef in zijn boek Stadsleven (2018): ofwel het stedelijk leven enerzijds en de gebouwde omgeving anderzijds. Het stedelijk leven is in essentie krom, onregelmatig, onvoorspelbaar, zacht, een optelsom van tegenstrijdigheden, talen, culturen en kansen. De gebouwde omgeving probeert daarentegen orde te scheppen, te ordenen en oplossingen aan te dragen voor stedelijke problemen en vraagstukken die constant veranderen. De complexe ville en de pragmatische cité zullen nooit echt op elkaar passen.

Sennett concludeert in zijn slothoofdstuk dat de rol van de stedenbouwkundige en architect zou moeten zijn om complexiteit aan te moedigen en om een interactieve, synergetische ville te creëren die meer is dan de som der delen. Die aanpak is duidelijk herkenbaar in de projecten van Maas waarbij hij inzet op het openbreken van stedelijke blokken en de vormgeving van veelvormige en meerduidige publieke ruimtes. En juist die meervoudige complexiteit, die kan resulteren in een interactieve en tegelijk tegenstrijdige stedelijkheid, vormt ook het kernbeginsel van de slimme stedelijk mix.

 

De bijeenkomst met Pieter Hoexum en Winy Maas vond plaats op woensdag 23 maart 2022.

Pieter Hoexum volgde een opleiding aan de kunstacademie en studeerde filosofie. Hij schrijft voor Trouw, De Groene Amsterdammer en Filosofie Magazine. Na zijn boek ‘Kleine filosofie van het rijtjeshuis’ (2015) verscheen in 2019 ‘Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse’. In 2001 won hij de Jan Hanlo Essayprijs Klein.

Winy Maas is opgeleid als architect, stedenbouwkundige, en landschapsontwerper. Hij is samen met Jacob van Rijs en Nathalie de Vries oprichter van MVRDV, een interdisciplinaire ontwerpstudio die werkt op het snijvlak van architectuur en stedenbouw. De studio heeft een internationale identiteit en werkt wereldwijd aan gebouwen, steden en landschappen.

Eric Frijters is architect en onderzoeker. Hij is samen met Olv Klijn oprichter van het in Amsterdam gevestigde ontwerp- en onderzoeksbureau FABRICations. Hij is daarnaast lector Future Urban Regions (FUR) aan de Nederlandse Academies van Bouwkunst. Het lectoraat onderzoekt stedelijke (eco)systemen en vernieuwende ontwerpmiddelen voor de bestaande stad.

Gespreksleiding: Eric Frijters. Verslag/beschouwing: René Erven, 25 maart 2022. Foto inzet: Nederlands Paviljoen Expo 2000, MVRDV

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws in je inbox