archief / downloads

Verslag: Slimme stedelijke mix (4)

Wat, waarom, en hoe?

De woningbouwopgave drukt in veel steden de productieve bedrijvigheid naar de randen van de stad. In Eindhoven lijken de kaarten anders te liggen. Dat illustreert onder meer de herontwikkeling van Strijp-S die tijdens de vorige bijeenkomst van de serie Slimme stedelijke mix werd besproken. Hier wordt succesvol ingezet op een mix aan functies en ook de Fellenoord-locatie krijgt een gemengd programma van wonen, werken en leren. Maar hoe krijg je dit gemengde programma voor elkaar? Tijdens de vierde bijeenkomst in de serie Slimme stedelijke mix sprak Eric Frijters hierover met Floris van der Zee (BURA urbanism), Ronald Rijnen (gemeente Eindhoven) en Frank Werner (KCAP).

 

Bouwen waar de mensen zijn

Op maandagmiddag 14 maart vond in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam een bijeenkomst plaats die werd georganiseerd door het College van Rijksadviseurs samen met het Planbureau voor de Leefomgeving, het Ministerie van BZK en de Vereniging Deltametropool. Tijdens deze bijeenkomst stonden – toeval of niet – een viertal studies naar verdichting centraal. Ze onderstrepen alle vier het belang van stedelijke verdichting en promoten daarmee ook het credo ‘bouwen waar de mensen zijn’. Dit uitgangspunt vormt ook de rode draad in de aanpak van Floris van de Zee, de eerste gast van de avond. Hij deed met zijn bureau BURA urbanism onderzoek naar verdichting en de kansen voor het mengen van functies.

Sinds kort is het bureau van Van der Zee samen met Archistad betrokken bij een analyse van de Tilburgse verdichtingsopgave. De gemeente Tilburg heeft de ambitie om tot 2040 25.000 nieuwe woningen te bouwen binnen het bestaand stedelijk gebied met behoud van het open landschap. Een grote uitdaging omdat veel binnenstedelijke ruimtes, zoals de terreinen van oude textielfabrieken, in de jaren tachtig zijn verdicht. Met dit onderzoek worden kansen, valkuilen en vragen over deze verdichtingsopgave verkend.

BURA heeft al jaren ervaring met complexe verdichtingsvraagstukken. Van der Zee besprak in dit kader de studie Guiding Principles Metro Mix die het College van Rijksadviseurs samen met BURA urbanism in 2019 presenteerde. Aan de hand van de vragen waarom, wat, hoe besprak Van der Zee puntsgewijs en inzichtelijk de kansen en ruimtelijke scenario’s die daarbij horen.

Uit de studie van het CRa en BURA blijkt dat het mengen van functies een groot aantal voordelen heeft. Een gemengd gebied geeft in de eerste plaats een impuls aan de omliggende gebieden. Daarnaast zijn er minder milieubelastende verkeersbewegingen als functies in elkaar nabijheid worden geprogrammeerd. Gemengde gebieden zijn ook leefbaarder en ‘adaptiever’, ze passen zich makkelijker aan bij veranderende omstandigheden. Ook zijn er kansen voor een deeleconomie. In gebieden met gemengde functies blijkt delen gewoon makkelijker. Bovendien zijn gemende woonwerkgebieden, zoals Strijp-S, erg gewild en populair. Dat is ook voor investeerders goed nieuws. En, niet onbelangrijk voor de Eindhovense context: ‘gemengde gebieden stimuleren kruisbestuiving en innovatie’, aldus Van der Zee. Dus genoeg argumenten om er werk van te maken. Maar welke functies passen goed en welke niet, en zijn ook referentieprojecten die dat illustreren?

Met inzichtelijke schema’s presenteerde Van der Zee enkele principes. De drie belangrijke principes zijn het raamwerkplan voor reuring, ruis en rust; de menging van wonen, werken en voorzieningen op blokniveau én het creëren van bruisende straten met aandacht voor een actieve gebouwplint. Deze principes zijn vervolgens ook gekoppeld aan suggesties op het gebied van geld en organisatie, waardoor de studie functioneert als een toolbox voor verdichting en functiemenging.

Van der Zee sloot zijn bijdrage af met twee referentieprojecten waar hij met zijn collega’s momenteel aan werkt. Bij het ontwikkelplan Schieoevers Noord zet de gemeente Delft in op de transformatie naar een uniek gemengd stedelijk gebied met wonen, werken én recreatie. De ambitie is de creatie van ca 5.500 arbeidsplaatsen en zo’n 7.700 woningen tot 2040. Op het goedlopende bedrijventerrein van 77 ha blijft een groot deel van huidige activiteiten komende jaren behouden. Verschillende innovatieve maakbedrijven zijn daarbij ook belangrijke smaakmakers die goed te mengen zijn met wonen. Bedrijvigheid die vaak zijn oorsprong heeft op de nabij gelegen Technische Universiteit. BURA definieerde het ruimtelijk kader voor de transformatie op basis van het principe ‘raamwerkplan voor reuring, ruis en rust’ (afbeelding).

Project Schieoevers Noord. Beeld: BURA.

Tot slot besprak Van der Zee het project Merwede in Utrecht. Hier werkt BURA aan een van de grootste binnenstedelijke, autoluwe stadswijken van Nederland ter grootte van zo’n 34 voetbalvelden. Op de plek van een bedrijventerrein – tussen het Merwedekanaal en Park Transwijk – ontstaat een nieuwe stadswijk voor 12.000 bewoners. De bebouwing komt dichter bij elkaar dan in andere Utrechtse wijken. Daarom is er veel aandacht voor de inrichting van de beschikbare openbare ruimte: autoluw en met veel groen.

Ook in dit gebied staat functiemenging centraal, maar dan voornamelijk functies op het gebied van horeca, sport, onderwijs, cultuur, creatieve bedrijvigheid en voedselproductie. Merwede omvat een diversiteit aan omgevingen van rustige woonwijken tot drukkere ontmoetingsplekken. Er komen uiteindelijk duizenden betaalbare woningen en tal van voorzieningen, zoals een markthal en mobiliteitsknooppunten voor gedeeld vervoer.

 

KnoopXL

Het terugdringen van automobiliteit en het voorgang geven aan langzaam verkeer is ook een van de basisthema’s bij de herontwikkeling van de Fellenoord, globaal de zone aan de noordkant van het spoor tussen Philips Stadion en Dommel. Dit gebied, met van oorsprong een dorpse structuur, transformeerde in de jaren zestig onder invloed van de cityvorming tot een enorme verkeersafwikkelingsmachine. Hier komen de grote radiale wegen van de stad – Kennedylaan, Montgomerylaan en Boschdijk – samen. Slechts dertig procent van het verkeer op Fellenoord heeft een bestemming in de directe omgeving van het station of het centrum, de rest is doorgaand verkeer.

‘We hebben de ambitie’, stelde Frank Werner, ‘om van dit transitgebied een aantrekkelijk, groen verblijfsgebied te maken met een mix aan functies’. Hij is al sinds 2017 betrokken bij deze meerjarige transformatie en vertelde over de voortgang van het project. Het dunbevolkte gebied zal de komende jaren groeien tot zo’n 15.000 inwoners. Het zal een plek worden voor wonen, werken, ontmoeten en verblijven. Inmiddels zijn de betrokken partijen ver in het oplossen van onder meer de infrastructurele puzzel. Het terugbrengen van de brede verkeerswegen (nu 57 meter) naar een compacte stadsboulevard met een breedte van zo’n 40 meter wordt gecombineerd met het versterken van de historische verbindingsroutes onder en langs het spoor. Bovendien wordt het gebied voorzien van een groen ‘dwaalmilieu’ met dwarsverbindingen voor langzaam verkeer. Ook de afstemming tussen boven- en ondergrond is een aandachtpunt, waarbij de bussen straks via een tunnel onder de Fellenoord naar de uitvalswegen rijden.

Speciale aandacht schonk Werner aan de beoogde stedelijke mix. Het gebied is opgedeeld in 11 losse clusters, die – gefaseerd in de tijd – apart kunnen worden ontwikkeld. Een cluster bestaat uit meerdere kavels, waar de betrokken partijen samenwerken. De verschillende functies zijn verticaal gerangschikt. Werner benoemde daarbij twee functionele lagen: 1. de stedelijke laag, tot 21 meter (de plint en een multifunctionele laag) en 2. de hoogbouwlaag, boven de 21 meter (het woonprogramma). Er zijn een aantal ‘spelregels’ bedacht waarbinnen deze lagen kunnen worden ontwikkeld. Voor de hoogbouwlaag geldt bijvoorbeeld dat ze geen hinder in de vorm van wind, schaduw, uitzichtbeperkingen en geluid veroorzaken én dat ze voldoende dag- en zonlicht ontvangen. En, er zijn spelregels voor groen op daken en gevels én voor de ‘slankheid’ van de volumes in de hoogbouwlaag.

‘De stedelijke laag wordt niet alleen gevuld met cappuccinobarretjes’, vertelde Werner. Werken in de breedste zin van het woord is hier straks mogelijk: van hightech maakindustrie, onderzoek en ambacht. Het is een uitdaging om die stedelijke laag te injecteren met het DNA van Eindhoven: design en technologie. Ronald Rijnen voegde daar aan toe dat er ook kansen zijn voor de nabij gelegen onderwijsinstellingen Fontys en TU/e: ‘Ze krijgen hier een perfect visitekaartje op een zichtlocatie’.

KnoopXL: opbouw stedelijke laag (tot 21 meter) en hoogbouwlaag. Beeld KCAP

‘Overmaat’, een aandachtspunt dat Van der Zee ook al noemde, is ook in deze stedelijke laag een belangrijk uitgangspunt. Rijnen: ‘we moeten waken voor de waan van de dag bij dit soort langlopende ontwikkelingen’. Hij refereerde daarbij aan het plan van de lokale GroenLinks-afdeling om meer woningen binnen KnoopXL te realiseren, nu de druk op de woningmarkt zo groot is.

Hoe het woonprogramma in het hoogbouwdeel vorm krijgt is nog niet helder. Werner vindt flexibiliteit en kwaliteit daarbij wel van groot belang: ‘omdat we niet weten wat de toekomst brengt zou je de oppervlakte zo moeten indelen dat van twee appartementen één te maken is, of van drie appartementen twee.’

De financiering van dit soort meervoudige porgramma’s was een laatste aandachtpunt dat aan de orde kwam. Dit soort projecten waarbij wordt ingezet op een mix van functies stelt hogere eisen aan de bebouwing en is daarmee ook duurder dan ‘reguliere’ woningbouw. Van der Zee noemde de mogelijkheid van fondsen, bijvoorbeeld om startups een duw in de goede richting te kunnen geven, en het belang om investeerders aan te trekken die lange tijd in het project betrokken blijven. Ook de langdurige exploitatie van dit soort projecten is nog een onopgelost vraagstuk. Kortom, wordt vervolgt…

 

De bijeenkomst met Frank Werner, Floris van de Zee en Ronald Rijnen vond plaats op 14 maart 2022.

Frank Werner is sinds 1996 werkzaam bij KCAP als architect/director. Hij heeft ruime ervaring in het ontwerpen en organiseren van stedenbouwkundige plannen op diverse schaalniveaus. Een van zijn focusgebieden zijn stedenbouwkundige herstructureringsplannen waarin  naast wonen ook sport-, vrijetijd- en winkelvoorzieningen worden gecombineerd. 

Floris van der Zee is partner van BURA urbanism. BURA heeft als missie het ontwikkelen van duurzame oplossingen voor stedelijke vraagstukken. Het bureau wil veerkrachtige omgevingen ontwerpen waar mensen gezond en duurzaam kunnen werken én leven.

Ronald Rijnen is programmamanager Brainport City van de gemeente Eindhoven en betrokken bij KnoopXL.

Eric Frijters is architect en onderzoeker. Hij is samen met Olv Klijn oprichter van het in Amsterdam gevestigde ontwerp- en onderzoeksbureau FABRICations. Hij is daarnaast lector Future Urban Regions (FUR) aan de Nederlandse Academies van Bouwkunst. Het lectoraat onderzoekt stedelijke (eco)systemen en vernieuwende ontwerpmiddelen voor de bestaande stad.

Gespreksleiding: Eric Frijters. Verslag: René Erven, 17 maart 2022. Foto inzet: Visualisatie KnoopXL / KCAP en gemeenet Eindhoven 

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws in je inbox