archief / downloads

Bouwen op een bijzonder verleden

De discussie over gas als belangrijke energiebron in het huishouden is in volle gang en er wordt volop naar alternatieven gezocht. Oude technologieën maken plaats voor nieuwe. Nederland moet van het gas af. Ruim twee eeuwen geleden werd gas in het huishouden geïntroduceerd. In de loop van de negentiende eeuw verschenen door heel Nederland gasfabrieken, waar dit gas werd gewonnen uit kolen of olie. Ook in Eindhoven verrees een gasfabriek op het huidige NRE-terrein. Gedurende de jaren veranderde er veel onder invloed van technologische en maatschappelijke veranderingen. Gebouwen werden er verbouwd of afgebroken, en nieuwe kwamen er bij…

Rond 1785 werd huishoudelijk gebruik van gas in Nederland geïntroduceerd voor verlichting, ter vervanging van brandgevaarlijke kaarsen en olielampen. Gas werd toen niet gewonnen uit aardlagen maar geproduceerd met kolen of olie. Tot 1840 waren vooral bedrijven en welgestelde consumenten in stedelijke gebieden gebruikers van dit gaslicht. Eind negentiende eeuw kwam gas voor grotere groepen bereikbaar door de invoering van de muntgasmeter. Hiermee kon je voor een muntje gas kopen.

De eerste kolengasfabrieken in Nederland ontstonden op particulier initiatief. Voor de toepassing van stadsverlichting legden gemeenten distributienetwerken aan en kregen ze een groter belang in de gasfabrieken. In Eindhoven werd de eerste gasfabriek opgericht in 1857 door de Bosschenaren Drossaerts en Loeff, op een terrein tussen de Wal en de Paradijslaan. De fabriek bestond onder meer uit een stokerij, een werkplaats, een kantoor, een zuiverhuis, een kolenloods en twee gashouders. In 1863 werd de fabriek overgenomen door de ‘Algemene Nederlandsche Gas- en Verlichtingsmaatschappij’ uit Den Haag die daarvoor de ‘N.V. Eindhovensche Gasmaatschappij’ oprichtte.

Naast enthousiasme over de nieuwe voorziening waren er ook ongemakken. Klachten over lekkende leidingen, wisselende lichtsterkte, ‘gaswater’, afwijkende gasmeters en gaslucht in de stad waren aan de orde van de dag. In 1892 besloot de gemeente de exploitatie zelf ter hand te nemen. Zo had ze meer invloed op de voorwaarden waarop het gas geëxploiteerd werd en stelde ze het algemeen belang boven dat van de naar winst strevende particulieren. Al snel werd duidelijk dat vanwege capaciteitsvergroting en veranderingen in het productieproces een nieuwe fabriek nodig was.

De gemeente koos voor een locatie buiten het dichtbevolkte stadscentrum, aan het Eindhovens kanaal aan de huidige Nachtegaallaan, waar de benodigde steenkolen makkelijk per schip aangevoerd konden worden. De uitvoering van de plannen liet even op zich wachten, maar onder druk van grootafnemer Philips, die dreigde met de bouw van een eigen gasfabriek, werd op 28 juli 1899 de eerste steen gelegd. Bouwmeesters van het nieuwe fabriekscomplex waren gemeentearchitect Louis Kooken en Louis Payens, directeur van de gasfabriek in Helmond.

Rond die tijd had de gasfabriek een stokerij, een zuiverhuis, een smederij, een laboratorium, een kantoor, een magazijn, een gashouder en woningen voor de directeur en de gasmeester. Al kort na de ingebruikname in januari 1900 moesten gebouwen hersteld of vernieuwd worden omdat er te hard gestookt was.

In de beginjaren bood de fabriek werk aan circa twintig mensen: de directeur, een administrateur, een klerk, een baas, zes stokers, drie sjouwers, twee fitters, twee geldophalers en drie lantaarnopstekers. De fabriek groeide snel door nieuwe toepassingen van gas zoals koken en verwarmen, de expansie van Philips en de levering van gas aan de toenmalige buurgemeenten Stratum, Tongelre, Woensel, Strijp en Gestel.

Door de groeiende vraag en de ontwikkelingen in het productieproces was de gasfabriek voortdurend aan veranderingen onderhevig. Er kwamen nieuwe gebouwen bij, gebouwen werden afgebroken of vervangen. Een nieuwe ontwikkeling was de bouw in 1924 van een watergasfabriek en een zuiverhuis op het terrein. De grootste verandering echter was de overgang van kolengas op afstandsgas rond 1930. Door nieuwe leidingtechnologie kon gas over lange afstanden getransporteerd worden. Dit cokesovengas, dat door Eindhoven betrokken werd van de Limburgse Staatsmijnen, was goedkoper en van betere kwaliteit. Zo werd de stad ook bevrijd van ‘stank, stof, rook en geraas’ van de gasfabriek.

De omschakeling van productie naar distributie betekende een nieuwe fase in de bebouwing. Gebouwen verloren hun functie en werden gesloopt of omgebouwd en nieuwe gebouwen werden gerealiseerd. In 1930 werd het gasontvangst- en distributiestation, waar de leiding vanaf de Staatsmijnen binnenkwam, gebouwd. Er verrees een grote gashouder en er kwam een magazijn met een toonzaal voor voorlichting over gasgebruik en -apparatuur.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het terrein getroffen door bombardementen en raakten gebouwen beschadigd. Na de bevrijding werden de gebouwen snel hersteld en kon het gasbedrijf weer volop aan de gang. Het energieverbruik nam toe, er waren meer huishoudelijke apparaten die op gas werkten en er was meer industrieel verbruik. Tot midden jaren zestig werden nog aanpassingen aan het terrein gedaan zoals de bouw van een blowerkamer, een grote centrale werkplaats, een kantine en een kantoor.

De ontdekking van de aardgasbel in Slochteren in 1959 leidde ertoe dat de gasinfrastructuur in Nederland snel geschikt gemaakt werd voor aardgas. De gemeente Eindhoven bouwde in de jaren ‘65-‘66 een aardgasontvangststation in Acht en verdeelde voortaan van daaruit het gas naar de stad. Daarmee verloor het gasfabrieksterrein aan de Nachtegaallaan haar functie van gasontvangst, opslag en distributie. De achtergebleven gebouwen werden gesloopt of bleven dienst doen als werkplaats, magazijn en kantoor. In 1989 verzelfstandigde de gemeente haar gasactiviteiten in de NV Nutsbedrijven Regio Eindhoven (NRE) en werd het kantoorgebouw uitgebreid. In 2012 verliet het bedrijf het terrein aan de Nachtegaallaan.

Korte tijd werd overwogen om een groot aantal overgebleven gebouwen te slopen en volgens een vooraf vastgesteld plan 350 woningen te bouwen op het terrein. Echter, het gebied bleek een relatief zeldzaam overblijfsel van de gasindustrie in Nederland. Er resteerden tien gebouwen, gerealiseerd tussen 1899 en 1989, die samen de geschiedenis van de gasfabriek vertellen.

Tom van Tuijn, voor de gemeente als stedenbouwkundige betrokken bij de herontwikkeling, vertelt dat er voor een organische, geleidelijke aanpak werd gekozen. De gemeente ging op zoek naar gebruikers voor het terrein. Samen met enkele initiatiefnemers werd vanaf het begin gekeken naar hun wensen en hoe het gebied kon worden ontwikkeld.

De gebouwen werden in deze ontwikkelperiode niet aangemerkt als monument. Het denkproces leidde tot een gezamenlijke aanpak om een levendig gebied voor wonen, werken en publieke activiteiten te creëren. Het industriële verleden vormde daarbij de inspiratiebron.

Het gasfabriekterrein veranderde in de loop van de tijd voortdurend, door verbouwingen of sloop van panden. Daardoor is het verband tussen de overgebleven gebouwen verdwenen. Om het verleden zichtbaar te maken of te houden werden een aantal spelregels bedacht. Spelregels zijn bijvoorbeeld: het herstellen van de verloren verbanden door gebouwen wat betreft afmetingen en vorm weer terug te laten komen, of in het stratenpatroon de vorm aan te brengen van verdwenen gebouwen zoals de gashouders. Verder wordt bij het bouwen rekening gehouden met het monumentale karakter van de bestaande bebouwing qua vorm en materiaalgebruik. Nieuwe gebouwen moeten eenvoudig zijn en bevatten aan minstens drie kanten ramen of deuren voor een levendige uitstraling. Om de samenhang te benadrukken, wordt het gebied ingericht als erfterrein, zonder stoepen, straten of tuinen.

Magdaleen Kroese, architect bij MAG architecten en medeoprichter van Stichting Kilimanjaro Wonen, is momenteel actief op het NRE-terrein. Haar huidige kantoor bevindt zich op het gasfabriekterrein in de voormalige centrale werkplaats (gebouw 3), ze werkt aan de herbestemming van de toonzaal/magazijn (gebouw 2) en ze gaat wonen en werken in het nieuwbouwdeel aan de Patrijsstraat.

Voor die nieuwbouw is gekeken naar de bestaande gebouwen. Deze zijn eenvormig zonder ‘rare uitsteeksels’. De nieuwbouw volgt deze vorm, dus er zullen geen garages of andere aanbouwen te zien zijn. Gebouwen krijgen een industriële uitstraling. Aan de buitenkant kun je niet zien wat de functie is en een gebouw heeft overmaat (groter dan nodig is). Verder wordt gebruik gemaakt van ambachtelijk, eerlijk en oorspronkelijk materiaal zoals hout en baksteen. Als contrast met de bestaande gebouwen wordt lichte baksteen gebruikt. Bewoners mogen groenelementen aanbrengen op, aan of voor een gebouw, zoals een sedumdak, groen tegen muren of in verplaatsbare potten.

De toonzaal/magazijn (gebouw 2) wordt ontwikkeld tot een levensloopbestendige woonvorm. In de praktijk is het een ingewikkeld gebouw volgens Kroese. Voor een toonzaal en magazijn zitten de ramen op de goede hoogte, maar voor bewoners is 1.40 m lastig. Als oplossing zijn de vloeren opgehoogd en is het leidingwerk in de ophoging gepland. Aan de voorzijde aan de Nachtegaallaan blijft het aanzicht van het gebouw nagenoeg gelijk, aan de achterzijde is een andere indeling gemaakt, waarbij sommige ramen verdwijnen en balkons aan de gevels komen. Aan de binnengevel vinden grote ingrepen plaats voor de leef- en bewoonbaarheid van het pand. De toonzaal blijft haar functie behouden als ontmoetings- en ’toonruimte’. De ‘littekens’ van het gebouw blijven zitten, je mag volgens Kroese zien dat het gebouw door de tijd heen veranderd is.

De werkzaamheden op het gasfabriekterrein zijn inmiddels in volle gang. Met aandacht voor de geschiedenis van de gasfabriek ontstaat een nieuw stukje oud Eindhoven, gered van de sloophamer en bewaard voor de toekomst.

Tekst: Lilian Calame. Historische foto’s: RHCe Visualisatie: MAG architecten. Met dank aan: Magdaleen Kroese, Tom van Tuijn.

 

Bronnen:

‘Aardgas – Historische ontwikkeling’, in: E.J.L. Chappin (ed.) (2016) Webdictaat Introductie in Energie- en Industriesystemen, http://eduweb.eeni.tbm.tudelft.nl/TB141E/pagina;

NRE-terrein: Nieuwe Energie, Bauhütte, Gashouders NRE, Gemeente Eindhoven, oktober 2014;

J.M.P. van Oorschot, Eindhoven een samenleving in verandering (Eindhoven 1982), pp. 474-480 en 967-970;

Eindhoven NRE-terrein: Cultuurhistorische inventarisatie, BAAC rapport B-08.0136, Eindhoven, november 2008.

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws in je inbox