archief / downloads

Expo: Managers & Monkeys

In de jaren ’80 en ’90 veranderde het werk dat architecten in hun studio’s verrichten enorm. Terwijl de de jaren ’70 nog in het teken stonden van experimenten met computerondersteund ontwerpen (CAD), werd in decennia daarna de digitale ontwerpsoftware gestandaardiseerd en kwam deze beschikbaar voor een bredere groep architecten. De komst van betaalbare pc’s en ontwerpsoftware veroorzaakten een revolutie binnen de kleine tot middelgrote architectenbureaus. Er ontstond een hele markt voor desktop CAD-toepassingen met als meest opmerkelijke softwareprogramma’s: AutoCAD, Microstation, Auto-trol en FastCAD. Deze programma’s bepaalden uiteindelijk een groot deel van het architectonisch teken- en ontwerpwerk, maar hadden ook een enorme impact op de architectonische output, zoals CAD-normen voor tekeningen en de specifieke bestandsformaten voor informatie-uitwisseling (zoals het DWG-formaat van AutoCAD). Ook hadden de programma’s impact op de fysieke en operationele aspecten van het architectenbureau.

Binnen de studio ontstonden nieuwe taken gericht op het beheren van digitale gegevens. Grote kapitaalkrachtige bedrijven hadden vaak computer- of CAD-afdelingen, middelgrote tot kleine kantoren daarentegen investeerden in het aannemen nieuwe medewerkers met CAD-ervaring of schoolden enkele medewerkers om tot CAD-managers en CAD-monkey, een geuzennaam van de CAD-tekenaars. Deze omschakeling betekende voor veel bedrijven in de VS en Europa een periode van stress en onzekerheid. Zou de computer het bureau efficiënter maken? Kocht het bedrijf wel de juiste ontwerpsoftware? Werden er wel de juiste mensen ingehuurd? Waar en wanneer kon de computer het beste worden ingezet in het complexe proces van het ontwerpen en construeren van gebouwen? Om deze periode in de geschiedenis van het architectuurwerk beter te begrijpen, onderzoekt de expositie Manager & Monkeys de relaties tussen software en ontwerppraktijk aan de hand van vijf thema’s: 1. Computerkennis 2. Tekenen en bouwen; 3. Ontwerpen; 4. Printen en plotten; en: 5. Marketing.

Computerkennis: Computerkennis was in de vroege jaren ’80 nog nauwelijks gemeengoed. Niet alle architectuuropleidingen onderwezen CAD of trainden hun studenten in computervaardigheden. Dit betekende dat de meeste CAD-kennis door gemotiveerde jonge architecten of ontwerpstudenten in de praktijk werd opgedaan. Zij werden geholpen en gesteund door experts die handboeken en gidsen publiceerden. Deze boeken behandelden vrijwel alles: van hoe een computer werkt tot computerondersteunde ontwerpmethoden. Daarnaast waren gebruikershandleidingen voor CAD-software belangrijke informatiebronnen. Sommige introduceerden ook basiskennis op het gebied van programmeren, waarmee architecten vertrouwd werden met de structuren en de logica van softwareberekeningen. Hierdoor konden zij op hun beurt aangepaste hulpmiddelen voor specifieke architectuurdoeleinden te ontwikkelen.

 

 

Tekenen en bouwen: Tekenen met de computer vereiste een andere manier van werken én denken. Tekenaars moesten gaan nadenken over de lagen van een tekening, de manier waarop de tekening op het scherm het best georganiseerd kon worden, en over hoe de tekening het best kon worden opgeslagen. Kantoormedewerkers moesten beslissen over de standaarden die ze zouden gebruiken voor tekeningannotaties, titelblokken, tekenformaten en vele andere zaken die eerst als vanzelfsprekend werden beschouwd. Hoewel sjablonen en tekenstandaarden al lange tijd bestonden voordat CAD opkwam, maakte digitaal tekenen het proces van tekenen veel systematischer dan voorheen.

Ontwerpen: In de vroege dagen van de computertechnologie speculeerden sommige onderzoekers zoals Christopher Alexander, William Mitchell en Charles Eastman over de mogelijke toepassingen van computertechnologie in de architectuur. Terwijl veel van deze toepassingen experimenteel bleven, werden sommige vanzelfsprekend op het moment dat architectenbureaus hun werkprocessen digitaliseerden. Sommige architecten ontdekten dat massa-studies, ruimtelijke planning/programmering en schema’s van het ontwerpproces voor een deel geautomatiseerd konden worden. Verschillende elementen, zoals de verhouding van de vloeroppervlakte, konden worden berekend door middel van scripts en andere computergestuurde analyses.

Printen en plotten: Hoe krijgen we de tekeningen uit de computer? Dat was een cruciale vraag in de begindagen van het computergestuurde ontwerpwerk. Dit leidde tot de ontwikkeling van een reeks machines die digitale bestanden konden omzetten in fysieke tekeningen. Deze plotters gebruikten aanvankelijk pennen met inkt en sleepten deze mechanisch over een rol papier. De precisie die deze machines bereikten, maakte ze erg nuttig. Nadeel was dat het tekenen vaak erg veel tijd kostte waardoor er binnen studio’s een soms complexe printplanning noodzakelijk was.

 

 

Marketing. In de jaren 80 en 90 stonden architectuurtijdschriften vol met computeradvertenties en ‘advertorials’. Deze artikelen, gesponsord door software fabrikanten, informeerden het lezerspubliek over hoe het werken met computers en tekensoftware bedrijven efficiënter en winstgevender kon maken. Marketingcampagnes van Autodesk, Intergraph en andere CAD-softwarebedrijven beloofden architecten efficiëntie en productiviteit, met glanzende foto’s en imponerende slogans. Door de presentatie van diverse toepassingen en concrete cases lieten leveranciers ook zie hoe computers konden worden ingezet.

 

De expositie Managers & Monkeys is nog tot en met 6 maart 2026 te zien in het gebouw Vertigo, TU/e.  Samenstelling: Galo Canizares (curator), René Erven, Arghavan Khaefi, Sergio De Sousa Lopes Figueiredo. met medewerking van: Curatorial Research Collective, TU Eindhoven, The Home Computer Museum, Helmond, Océ Museum, Venlo. Ontwerp expositie: office ca. Grafische vormgeving: Lukas Großmann. Teksten/vertaling: René Erven. Foto’s: Bas Gijselhart

 

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws in je inbox