archief / downloads

Eindhoven en de tweede snelheid? In gesprek met Hans-Martin Don en Nancy van Loon

Brainport Eindhoven is een thuishaven geworden voor internationale kenniswerkers. De economische kracht van Brainport is zichtbaar op een aantal specifieke ‘eilanden’ in stad en regio: de High Tech Campus, TU/e campus; Strijp-S en Strijp-T. Maar ook bij het station waar ambitieuze plannen liggen en waarbij twee toparchitecten als supervisor zijn aangesteld. Kees Christiaanse (KCAP) werkt aan de zone direct ten noorden van het station (Fellenoord); Winy Maas (MVRDV) is actief in de binnenstad.

In de luwte van die ‘eerste snelheid’ kun je van een ‘tweede snelheid’ spreken. Er zijn veel Eindhovenaren die niet kunnen profiteren van deze economische opleving. Er is in delen van de stad sprake van langdurige werkloosheid, grote afstand tot de arbeidsmarkt, sociale problematiek en vergrijzing en daarmee ook oplopende kosten. De financiële lasten die dit met zich meebrengt zijn voor een stad met de omvang van Eindhoven onevenredig groot. De sociale en economische tweedeling manifesteert zich ook ruimtelijk: in sterke en zwakke wijken…

Hoe kan de economische groei worden benut om niet alleen de krachtige eilanden te bouwen, maar ook nadrukkelijk om het weefsel tussen die eilanden te ontwikkelen, om sociaaleconomische impulsen in zwakke wijken te stimuleren? Kortom, hoe kunnen de twee economische snelheden in Eindhoven van elkaar profiteren en wat kan architectuur/ontwerp daar aan toevoegen/verbeteren? In gesprek met Hans-Martin Don (1) en Nancy van Loon (2).

Don: Eindhoven kent inderdaad twee snelheden, dat erken ik volmondig. Er is sprake van de dynamiek van Brainport, en die is vooral economisch en kennis-gestuurd. Er is ook sprake van een tweede snelheid. Een tweede snelheid met verschillende gezichten. Achter de dynamiek van Brainport gaat een andere, meer ‘authentieke’ dynamiek schuil: de dynamiek van wijken met veel armoede, mensen in de bijstand, laag opgeleid, minder competent, minder zelfredzaam en zelfs minder ‘fit’.

Een voorbeeld is de wijk Woensel-West. Een wijk, met veel sociale problematiek, laaggeschoolde bevolking, prostitutie, veel woningen in het lage huursegment. Hier is de Buurtonderneming opgericht (gemeente, Sint Trudo). Je zou het een emancipatiebedrijf kunnen noemen. Een ‘onderneming’ die verbindt, die initiatieven aan elkaar knoopt, die draagvlak creëert, die bij bijvoorbeeld bij verbouwing in gesprek gaat met bewoners etc.

Sterke en zwakke wijken in Eindhoven. Rood: sociaal zwakke wijken met gemiddeld inkomen onder landelijk gemiddelde. Groen: gemiddeld inkomen rond het landelijke gemiddelde en blauw: boven landelijke gemiddelde.

Hier was al in de wijk een bepaalde cohesie, een gemeenschappelijkheid, een manier van aanpakken. Alleen de problemen in die wijk overschreden min of meer de draagkracht van de wijk. Er is actief werk gemaakt van die problematiek, en die had ook een ruimtelijke component. Zo was er een tijd lang een tippelzone buiten de wijk (bij Strijp-T) ingericht met voorzieningen en hulpverlening (Leger des Heils).

De basisschool had ook een probleem. Het leerlingenaantal liep terug en de leerlingenpopulatie veranderde… het werd een zwarte school met een groot deel van de leerlingen (meer dan 60%) dat een migratie-achtergrond heeft.

Er is veel energie gestoken in sociale programma’s: ‘ingeplaatste huurders’ kregen bijvoorbeeld een huurhuis in de wijk als ze beloofden zich twee jaar lang, tien uur per maand, in te zetten voor de buurt. Van de tweehonderd ingeplaatsten ging het merendeel aan de slag met de kinderen van basisschool ’t Palet. Naschoolse activiteiten, sport, taalles. Het had zijn invloed op de schoolprestaties van de kinderen, en zorgt voor een netwerk rond de school van betrokken buurtbewoners. Die de kinderen ook kunnen aanspreken op straat, als dat eens van pas komt. Immers, ze kennen elkaar nu. De nieuwe school, ’t Palet, is met het gezicht naar de wijk toe geplaatst en niet met ’de rug’ naar de wijk. Aanvankelijk was het de bedoeling om de ingang aan de Boschdijk te situeren.

Wat is nu de formule in Woensel-West. Waardoor heeft het er gewerkt? Wat zijn gevaren?

Don: Ik noem de Buurtonderneming de ‘Brainport’ op wijkniveau. Misschien is de naam Buurtonderneming niet zo sprekend, maar is zijn duidelijk analogieën. Net als Brainport gebruik maakt van aanwezige kwaliteiten (kennis, knowhow, hightech bedrijvigheid, netwerken) was er in Woensel-West een samenhangend geheel. Ik noemde dat al de ‘draagkracht’ van de wijk. Mensen kenden elkaar er was en bepaalde cohesie. Met sprak elkaars taal. De Buurtonderneming moest daarom vooral (net als bij Brainport) de touwtjes aan elkaar knopen.

Groot gevaar dat ik nu zie is de individualisering van de zorg. We zien een maatschappelijk trend om individuele zelfredzaamheid te faciliteren. De wijkaanpak is op zijn retour. Woningcorporaties die van oudsher ook een belangrijke spil waren in het aanpakken van problemen in de wijken zijn nu terug naar hun basisopdracht: het voorzien in sociale huurwoningen. Er wordt dus meer van individuele burgers verwacht.

Is er een rol voor architectuur en ruimtelijk ontwerp?

Don: Ontwerp speelt zeker een rol. De ruimtelijke inpassing van de basisschool in de wijk heeft zeker bijgedragen aan de verbetering van de wijk. Maar ook diversiteit is belangrijk. Diversiteit in woningaanbod voor uiteenlopende leefstijlen, maar ook dat er mogelijkheden zijn voor lokaal ondernemerschap. Tegelijk is er momenteel enorme schaarste op de woningmarkt. Er is nauwelijks goedkope huisvesting, die wel nodig is om kansen te bieden aan jonge ondernemers.

Wist je dat een laagopgeleide gemiddeld 5 jaar eerder overlijdt, en vaker met gezondheidsproblemen oud wordt? In Drents Dorp blijkt dat ‘de lamme de blinde helpt’. Wat betekent dat voor de architectuur? Wat kun je ruimtelijk met dat gegeven?

Nog een voorbeeld. De leefomgeving doet iets met mensen. Er zijn ontzettend monotone, weinig prikkelde wijken in Eindhoven. Neem bijvoorbeeld de Generalenbuurt in Woensel. Mensen passen zich aan hun omgeving aan. Het went, maar zet niet aan tot actie. Het leidt tot routinegedrag en niet tot het actief aanpakken van problemen. Wellicht kan met ontwerp- en verbeeldingskracht een prikkel worden gegeven, of krijgt een initiatief een duw in de goede richting.

Don is wel bezorgd over een aantal ontwikkelingen:

Weet je, schaarste zorgt voor beweging, voor dynamiek. Schaarste zet aan tot creativiteit. In de huidige economische hoogconjunctuur is het daarom maar de vraag of die tot genoeg prikkels leidt om bepaalde problemen aan te pakken.

Problemen met een ‘probleemeigenaar’ worden aangepakt. Er is dan iemand die verantwoordelijkheid neemt, die energie vindt in het aanpakken van het probleem. Daarnaast moet je de taal van de wijk en de wijkbewoners spreken. Je moet het immers met de mensen in de wijk doen. Wie geef je een rol? Wie prikkel en motiveer je? Zo kunnen impulsen worden opgepakt en groeien tot wijkinitiatieven.

Ook Nancy van Loon ziet Eindhoven in verschillende snelheden bewegen:

Kijk naar het gebruik van zoiets als sportvelden. Deze zijn geënt op een verenigingsstructuur met inspanning op regelmatige tijden door vrijwilligers. Dat past niet meer in deze ‘flexibele’ tijd. De context is veranderd. Jongeren hebben minder behoefte aan vaste structuren, hun vrije tijd is diffuser. Of neem het voorbeeld van de tablet. Kinderen van zes kunnen daar al gewoon mee omgaan, terwijl de school daar nu nog niet mee werkt… Schoolstructuren bewegen nog onvoldoende mee in de digitale vaardigheden die de jeugd al bezit. Ook zo is er sprake van verschillende snelheden.

Bij jongeren (16-25 jaar) die vroegtijdig school verlaten of niet meekunnen zie ik het volgende beeld. Ze zien er zeker niet uit als ‘hulpbehoevend’. Ze hebben een image dat een ‘normale’ jongere ook heeft: Smartphone, scooter, nieuwe sneakers… Ze kennen de cultuur van de straat en weten vaak wel van alles te regelen. Ze kunnen in hun dagelijkse levensbehoefte voorzien. Ondertussen lopen wel de schulden enorm op. Soms wel tot 30.000 euro. We maken daarom als Dynamo veel werk van het doorbreken van patronen. Als ze een maandinkomen kunnen krijgen bij een bedrijf dat gelijkwaardig is aan de inkomsten die ze op straat (soms inde illegaliteit) kunnen genereren is er een prikkel tot verandering. Maar begeleiding blijft nodig, ze blijven gevoelig voor de oude patronen.

Soms zie ik hoe moeilijk dat kan zijn. Er groeien generaties kinderen op waarvan de ouders al een leven in de bijstand zitten. Die jongste generatie heeft een grote kans ook een beroep te gaan doen op de bijstand als we ze geen alternatieven beiden. Het is moeilijk zo’n patroon te doorbreken.

Wat zijn belemmerende factoren en wat is de belangrijkste prikkel tot verandering?

Van Loon: Belemmerende factoren zijn vooral de vele regels en procedures, die bijvoorbeeld kleven aan uitkeringen. De jeugdzorg is geïnstitutionaliseerd. Wijken kennen bovendien een eigen problematiek en daarmee dus ook aanpak. In de wijk Tongelre zie dat grote groepen jongeren licht verstandelijk beperkt zijn. Soms zijn hier in de lage economische klasse al meerdere generaties die een uitkering hebben. Vaartbroek en Eckart zijn als wijk jonger. Deze wijken zijn gemengder en hebben een minder specifiek DNA/karakter dat je wel ziet in Woensel-West of Tongelre. De bebouwing is van recenter datum en vaak ook troostelozer en monotoon. Maar ook in heel recente wijken spelen problemen. In de Vinex-wijken Meerhoven en Blixembosch hangen veel problemen van jongeren samen met vechtscheidingen en alles wat daarmee samenhangt: armoedeval, onbetaalbare woonlasten. Tegelijk heeft iedere wijk ook zijn kracht. Er zijn kansen, als je de mensen maar onbevooroordeeld benaderd.

Kan ontwerp hier een bijdrage leveren aan oplossingen?

Onlangs werd aan de wereldkampioen BMX-en, die te gast was op het Emoves urban festival, gevraagd wat hij met 1 miljoen zou doen. Hij stelde voor om het te investeren in meer plekken voor de jeugd in de openbare ruimte. Maar wellicht is het nog beter om ook de online wereld van de jeugd te verbinden met de reële openbare ruimte. Het gaat immers om activering.

Ik woon in een buurt die we samen met andere buurtbewoners hebben ontwikkeld. Collectiviteit was een belangrijk uitgangspunt. En ik vind het knap, ik had dat niet zelf kunnen verzinnen, hoe die collectiviteit ook in de ruimte, in de opzet van ons wijkje, werkt. Het stimuleert, je komt elkaar tegen, je spreekt elkaar aan en weet elkaar te vinden. Je kunt mensen wel laten dromen, maar die dromen moet je ook voeden. Met ideeën, met oplossingsrichtingen, kortom met verbeelding. Dat is de kracht van ontwerp. En, daar heb je ontwerpers voor nodig.

Tekst: Rene Erven

 

Hans-Martin Don is directeur bij het Leger des Heils in Noord-Brabant en Limburg. Daarnaast is Hans-Martin Don lid van de Eerste Kamer voor de SP. Van 2006 tot 2010 maakte hij als wethouder deel uit van het college van burgemeester en wethouders in Eindhoven met zijn portefeuille: sociale zaken, re-integratiebeleid en sociale werkvoorziening, WMO en welzijn, gezondheidszorg, financiën, personeel en organisatie, interne ICT.

Nancy van Loon is manager jeugd bij Lumens, een sociale onderneming die mensen die het lastig vinden om mee te doen met de samenleving stimuleert om hun passie en talenten te ontdekken en te ontwikkelen. Om op die basis te werken aan een zelfstandig bestaan. Of dat nu is in de vorm van betaald werk, als zelfstandig ondernemer of als vrijwilliger. Daarvoor werkte Nancy van Loon bij Dynamo, ook onderdeel van Lumens.

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws in je inbox